Vorderingsprocedure
Door politie aan CBR gemeld?
Om aan het verkeer deel te nemen moeten bestuurders medisch geschikt én rijvaardig zijn. Houders van een rijbewijs hebben ooit aangetoond dat zij aan deze voorwaarden voldoen. Desondanks is het mogelijk dat er later getwijfeld moet worden aan de rijgeschiktheid of rijvaardigheid van sommige bestuurders.
Op dat moment is de verkeersveiligheid in het geding en kan de zogenaamde vorderingsprocedure worden gestart.
Het beginpunt van de procedure ligt bij de politie, de officier van justitie of de directeur van het CBR. Bij hen kan het vermoeden ontstaan, dat de houder van een rijbewijs niet meer voldoet aan de eisen voor geschiktheid of rijvaardigheid. Meestal ontstaat dit vermoeden door een feitelijke constatering van de politie.
De politie informeert dan door middel van een zogenaamde 'mededeling' de divisie Rijgeschiktheid van het CBR, die verder actie onderneemt.
Het vervolg van de procedure is afhankelijk van de feiten die de politie heeft geconstateerd. Op grond van de mededeling en de geconstateerde feiten kan de divisie Rijgeschiktheid een betrokkene naar een onderzoek sturen.
Een andere mogelijkheid is nog dat betrokkene een educatieve maatregel krijgt opgelegd.
Wettelijke basis
De vorderingsprocedure is een verkeersveiligheidsmaatregel die wordt uitgevoerd door de divisie Rijgeschiktheid van het CBR. De procedure is gebaseerd op de artikelen 130 - 134A van de Wegenverkeerswet 1994. Deze artikelen zijn nader uitgewerkt in
- de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid
- de Regeling eisen geschiktheid 2000
- het Reglement Rijbewijzen
